Door vuilniszak geen Nederlander

2022-01-24 | AUTEUR JELLE WALTHER

Cliënt had in Amsterdam een vuilniszak op de verkeerde plek gedumpt. Een hinderlijke actie, die vaak gebeurt aan de rand van de stad, en begrijpelijk dat gemeentes het proberen tegen te gaan en overtreders beboeten. De handhavers wisten in dit geval te achterhalen dat cliënt hiervoor verantwoordelijk was, waarschijnlijk door aan hem gerichte post in de vuilniszak. Van het Openbaar Ministerie ontving hij een transactievoorstel van fl. 1.000,00 wegens overtreding van de Wet milieubeheer. Hij betaalde de boete, ook al ging het om een fors bedrag.

Inmiddels woonde cliënt al meer dan 25 jaar rechtmatig in Nederland, daarom dacht hij te voldoen aan alle eisen om Nederlander te worden. Tot zijn stomme verbazing werd zijn naturalisatieverzoek echter afgewezen vanwege die overtreding van de Wet Milieubeheer. Op basis van de destijds geldende regelgeving (Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap) was hij namelijk een gevaar voor de openbare orde omdat het delict een misdrijf bleek te zijn; vanwege de hoogte van de boete diende het naturalisatieverzoek afgewezen te worden. Dat cliënt braaf de boete had betaald en de zaak niet had laten voorkomen, deed daar niet aan af.

Cliënt meldde zich bij het Bureau voor Rechtshulp Amsterdam, waar ik toen werkte als jurist. Ik verbaasde me over de afwijzing van het naturalisatieverzoek, maar vooral over de buitensporige hoogte van het transactievoorstel. Ik diende namens cliënt bezwaar in, dat kennelijk ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde ik namens hem beroep in, dat werd behandeld door de vreemdelingenkamer van Rechtbank Amsterdam. Tijdens de procedures ondernam ik diverse pogingen om bij het OM na te gaan wat de grondslag was voor deze enorme boete. Het OM verschafte echter geen duidelijkheid, of richtlijnen.

Vanwege de hoogte van de boete diende het naturalisatieverzoek afgewezen te worden.


Het had er alle schijn van dat er sprake was een ambtelijke misslag. Rechtbank Amsterdam ging daarin mee en verklaarde bij uitspraak van 10 november 1999 het beroep gegrond. De IND ging in hoger beroep en de zaak werd ter zitting behandeld door Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Op 17 juli 2000 vernietigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank (LJN: AA6974). Voor de IND was er volgens de Afdeling geen aanleiding om nader onderzoek te doen, omdat de dienst mocht uitgaan van de juistheid van de strafafdoening.


Voor mijn cliënt zat er niets anders op dan de rehabilitatietermijn af te wachten. Gelukkig kwam de zaak in de publiciteit en werden er zelfs Kamervragen over gesteld. De toenmalige staatssecretaris Kalsbeek van Justitie nodigde cliënt uit om een nieuw naturalisatieverzoek in te dienen. Of mijn cliënt die uitnodiging heeft aanvaard, weet ik niet.

Onlangs had ik wel succes in een naturalisatiezaak doordat ik het OM zo ver kreeg om te bevestigen dat normaliter in plaats van een taakstraf een lage geldboete zou zijn opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard (Rb Den Haag 14-04-2021, JV 2021/118) en de IND ging niet in hoger beroep. Maar in de 25 jaar dat ik in het migratierecht veel bijzondere en schrijnende zaken heb behandeld, is de zaak met de vuilniszak wel de meest curieuze – en tegelijk exemplarisch voor de zeer strikte toepassing van het beleid in naturalisatiezaken. 

 

Gepubliceerd in tijdschrift Asiel&Migrantenrecht 2022-1 p. 039 

 

ARCHIEF
openCollapse
KENNISGEBIEDEN